zaterdag 10 november 2012


DE "GESCHIEDENIS VAN LOMMEL" DOOR P.N. PANKEN (13)


XI. GEMEENTEHEIDE


Wilde men eene volledige beschrijving der zoo zeer uitgestrekte heide van Lommel met hare lotgevallen en veranderingen mededeelen, zoude zulks een afzonderlijk boekdeel kunnen wezen, waarom ik mij in dit hoofdstuk tot eenige der voorname aanteekeningen zal bepalen. Over het gebruik met of door bewoners van andere dorpen, inzonderheid aan hunne grenzen, ontstonden gedurig geschillen, ja zelfs kostbare processen.

1547. 1 Février 1547. Rekwest van die van Bercheijck en Lommel, aangaande hunne heiden en vroenten. Proces met die van Pelt ‑ Archives de Bruxelles.
1587. Requeste de ceux de Lommel (blanco) Arch. de Bruxelles.
1650. Juin. Requeste de ceux de LommeL Arch. de la Belgique à Bruxelles.


UIT GRAMMAIJE EN ANDERE HISTORIESCHRIJVERS.

Lommel is een zeer oud dorp en komt in de zeer oude schriften onder de naam van Loemel voor. Jan, hertog van Brabant gaf in 1332 [lees: 1422] Lommel tot eene stad te verbouwen en te versterken om, als gelegen aan de grenzen van Brabant, deze des te beter te kunnen verdedigen tegen de aanvallen van naburige volken. Vier opzichters werden te dien einde aangesteld om de werkzaamheden te regelen. Hij had 's jaars tevoren aan de inwoners eenige dominiale weiden en landerijen afgestaan om die te bebouwen. Hij erkende wijders aan Lommel stadsrechten toe en het recht van schattingen te heffen. Ook stelde hij twee jaarmarkten vast, de eene op den eersten maandag na Sint‑Servaas en de andere op den eersten maandag na Sint-Remigius. Dezelfde hertog verleende aan het gilde Sint‑Joris te zogenaamde panderrecht, terwijl later de schout van Kempenland Jan Coune de reglementen heeft vastgesteld voor de gilden van St. Barbara en Sebastianus. De stadsbouwerij en versterking zijn in zo ver tot stand gekomen dat zij reeds van grachten en wallen waren omgeven en van drie poorten voorzien. Dat blijkt uit een rescript van de hertogin Johanna die in 1381 verlof gaf om de doodsklokken in eene der stadspoorten te hangen, aangezien de toren destijds nog niet bestond. De stadsmuren zijn echter later afgebroken, en zoo als men om andere duistere plaatsoverleveringen wil, hebben de steenen en brokken der gesloopte vesting gediend om den grooten en hoogen toren aan de kerk te bouwen. Een gracht of poel die zich op eenige afstand van het dorp ligt, alsmede het gehucht waarbij deze zich bevindt dragen den naam van de Vest. Het schijnt dat op die plaats de versterkingswerken begonnen werden. Volgens de legende is de klei of 't leem uit dien gracht toen gegraven. Een weiland of veld door een niet zeer breeden vest omgeven in die nabijheid, naar gissing 4 loopensen of 2/3 hectare groot, heet ook vest en is particulier eigendom. Ofschoon Lommel het aanzien eener stad daardoor verloor heeft het nochtans nog langen tijd de stadsrechten behouden en de aartshertog van Brabant Keizer Karel V bevestigde andermaal het recht van den Senaat te kiezen waarvan het eene jaar drie en het andere jaar vier leden moesten aftreden.

Door de pest van 1575 en 1576 stierven te Lommel bij de 2000 menschen en het heeft in de 15de eeuw en in het begin van de 16de eeuw veel van den brand geleden, terwijl 20 november [of] 10 september 1586 de kerk en vermoedelijk een groot gedeelte van het dorp in brand werden gestoken door soldaten die te Geertruidenberg in bezetting lagen. De toren echter bleef staan behalve de spits die mede afbrandde. Zij werd in 1596 hersteld, gelijk mede de kerk naar het schijnt; deze nochtans was binnen niet geheel voltooid, toen de Geuzen haar kort voor den vrede van Munster [1648] spoedig hierna in bezit namen. Dit konde men nog opmaken uit den inwendigen toestand der kerk, toen de katholieken ze in 1808 op Sint Barbaradag weder betrokken.

De collegiale kerk van Hilvarenbeek (die men tans restaureert) had voorheen te Lommel de tiende en het begevingsrecht der pastoors en de H. Ansfridus, Graaf van Namen en later bisschop van Utrecht, heeft toen hij nog soldaat was, zijn landgoed Lommel in de tiende eeuw aan de kerk geschonken.


In de 14e en 15e eeuw wordt in Hilvarenbeek de Petrus-banden-kerk gebouwd. Het oudste deel stamt al van 1300. De hoge toren wordt beschouwd als een hoogtepunt in de Kempense gotiek. Valt U de gelijkenis met de Lommelse kerktoren niet op? Niet toevallig is ook de Lommelse kerk aan Petrus-banden toegewijd...



Ook heeft de Abdij van Averbode tot op het einde der 18de eeuw te Lommel aanzienlijke goederen bezeten, namelijk de groote en kleine Hoef met verscheidene bunders moer of turfgronden, terwijl de Abdij van Postel den Lut‑Lommelschen molen met eene Hoef bezat die haar door de protestanten zijn ontnomen.

In het begin der protestantsche overheersching hebben de Katolieken van Lommel de godsdienst bijgewoond in de aangrenzende dorpen die buiten het gebied der Staten lagen en hebben later op den Adelberg eene zoogenaamde schuurkerk kunnen oprichten die in 1809 of 1810 is afgebroken, aldus na het in gebruik nemen der vaderlijke parochiekerk door de Katholieken.

In 1808 ging Lommel tot het fransche Keizerrijk over, doch bleef in het geestelijke aan het bisdom van 's Hertogenbosch onderworpen, waarvan het in 1840 afgescheiden en wederom zoals van ouds onder dat van Luik is gesteld Luiksgestel werd daarentegen aan het vicariaat van 's Hertogenbosch afgestaan. De ruiling dezer twee plaatsen gebeurde krachtens eene pauselijke breve vaan Gregorius XVI van 4 februari 1841, waarop de uitvoering weldra volgde (Handboekje van RK Eeredienst, jaar 1850, blz 6A/5).

Op den Heuvel, het oudste gedeelte des dorps, stond eertijds eene kapel met een beneficie er aan O.L.Vr. toegewijd. De laatste Beneficiant schijnt geweest te zijn Joannes Roesen of Rosen. Deze kapel hebben de protestanten afgebroken en met den afbraak in de kom van het dorp een raadhuis gebouwd, dat immer nog den naam van kapel heeft behouden, even als aan de plaats alwaar de gezegde kapel heeft gestaan, de naam van kapelberg is gebleven.

In het begin der protestantsche overheersing hebben de katholieken van Lommel de godsdienst bijgewoond in de aangrenzende dorpen die buiten het gebied der Staten lagen en hebben later op den Adelberg eene zoogenaamde schuurkerk gebouwd die in 1809 of 1810 is afgebroken. Het oude kerkhof bleven zij echter gebruiken, terwijl de weinige protestanten hunne lijken binnen de kerk begroeven, intusschen alle uitwendige teekenen aan de katholieken streng verboden.

De kerk van Lommel was voor de oprichting des bisdoms van's Bosch als quarta capella bekend‑ De merkwaardige toren die er aan prijkt was van eene hooge spits voorzien, welk door den geduchten storm van 9 november 1800 is omgewaaid, zoodat het kerkgebouw eene niet geringe schade onderging.

11 november 1807 ging Lommel van de Meierij van 's Bosch tot Frankrijk over. Door een verdrag van Napoleon met zijn broeder Lodewijk, Koning van Holland, werd het verruild tegen Luiksgestel, hetwelk tijdens de oprichting van het Koningrijk Holland aan Frankrijk behoorde. Lommel werd vereenigd met het kanton Achel door keizerlijk besluit van 1809.

 Napoleon was, vanuit Lommelse optiek, slechts staatshoofd tussen 1808 en 1814. 

Door het verdrag van Parijs 18 maart 1814 werd België van Frankrijk gescheiden. De grenzen van het nieuwe Frankrijk werden bepaald door het verdrag van Weenen 9 juni 1815. De gemeente Lommel maakte eerst deel van het Arrond. Roermond en ging daarna tot dat van Eindhoven over. Zij bleef hieronder wanneer zij ingevolge koninklijk besluit van 27 april [1824] aan de provincie Limburg afgestaan en bij het kanton Peer gevoegd werd in ruil tegen Luiksgestel, dat van Limburg aan Noordbrabant overging.

263 hectaren heide van de Hollandsche gemeente Bergeik afgescheiden door het verdrag van Londen van 19 april 1839 werden door de wet van 10 december 1843 bij de gemeente Lommel gevoegd. In het geestelijk bleef het tot in 1840 aan het bisdom van 's Hertogenbosch onderworpen, waar­van het toen afgescheiden en wederom als van ouds onder dat van Luik gesteld is.

[nvdr: omwille van die reden had Lommel tot circa 1850 hoofdzakelijk nederlandse pastoors en kapelaans. Burgemeester Koeckhofs ging in 1836-37 zwaar in de clinch met bisschop Den Dubbelden in 's-Hertogenbosch, toen deze laatste een nieuwe pastoor wilde installeren, terwijl men in Lommel liever kapelaan A. Van Moorsel als pastoor wilde zien]

 

In die tijd werd een nieuw benoemde pastoor feestelijk ontvangen en met een koets in de parochie rondgereden. De nieuwe pastoor die omstreeks 1836, na de dood van pastoor G. D. Pompen, door de bisschop naar Lommel was gestuurd, heeft na die koetstocht begrepen dat de Lommelse gemeenschap hem vijandig gezind was, en heeft aan de bisschop uiteindelijk gevraagd om niet in Lommel te moeten blijven...


Geen opmerkingen:

Een reactie posten