vrijdag 2 november 2012


























Aapeekeshuis: de eetzaal






































Aapeekeshuis: de minder fortuinlijken sliepen in een slaapzaal








































Aapeekeshuis: zij die het zich konden veroorloven, genoten van een eigen appartementje









































Aapeekeshuis: de spreekkamer...


















Van jeneverstokerij tot "aapeekeshuis"

In de Norbert Neeckxlaan bevindt zich bovenstaand gebouw, dat intussen wel wit geschilderd is.

De meeste mensen denken dat dit gebouw altijd aan de gemeente/stad toebehoord heeft, maar niets is minder waard.
Omstreeks 1900 werd het opgetrokken door Francois Van Ham (burgemeester) die er in compagnie met Jacq. Goossens een jeneverstokerij in onderbracht.

Pas omstreeks 1930 maakte Van Ham het gebouw over aan het Lommelse gemeentebestuur, dat er het eerste Lommels rusthuis in onderbracht. Het heette dan ook (niet toevallig) officieel "Hospitium Sint-Franciscus", maar iedereen in Lommel sprak over " 't aapeekeshuis "...

Enkele interieurfoto's geven een beeld van de leefwereld van de toenmalige senioren: living, collectieve slaapkamer, eetzaal, spreekkamer...enz.

U ziet ze verschijnen in hierna volgende blogberichten





















































DE "GESCHIEDENIS VAN LOMMEL" DOOR P.N. PANKEN (4)


III. EEN OUD DOKUMENT, GEMEENTEARCHIEVEN, RAADHUIS, OUD GEMEENTEZEGEL, DE SCHANS EN DE VEST.

Zeker oud man bij het dorp Lommel (in den uitersten hoek der Meierij gelegen) woonachtig, bezat volgens een verhaal in eene beschrijving der stad Delft (gedrukt te Delft bij H.Boitet,1729, b1.20 en 21) een oud boekje, waarin verscheidene zaken aangaande de stad vermeld stonden. Slechts twee uren had men het machtig kunnen worden en heimelijk lezen, derwijl het de grijsaard aan niemand dan aan zeer goede bekenden wilde leenen. Het was in kwarto formaat en op perkament geschreven en behelsde eenige godvruchtige gebeden, vertaald door Jan Goessen priester te Orthen en verder een verhaal van hetgeen Pieter Goessen in 1215 te Delft geboren, in 1252 zelf gezien had, in het Hollandsch of Vlaamsch geschreven. T. Van Lelijveld (Ballot D'Escury, Holl.Roem, Ode Dl. lste Stuk, blz.54 aanteek) bemerkt dat dit stuk een der oudst bekende Nederduitsche geschriften is en uit het wenschelijke, dat iemand gelegenheid vond om in of bij het dorp Lommel deswegens onderrichting te bekomen; doch reeds voor meer dan twintig jaren opzettelijke navorsching deswegens te Lommel gedaan zijnde, heeft men niets daarvan kunnen ontdekken. Het is jammer indien een zoo oud stuk verloren is geraakt. Mogelijk houdt men het nog ergens verborgen, wellicht ook niet in het dorp Lommel, waarmede misschien een klein naburig dorp bedoeld is (Beschrijving van het dorp Loemel, p.23. Men leze deswegens ook Hermans Geschiedk.Mengelwerk D.H blz. 112-116). Na nevenstaande mededeeling door Mr. Ackersdyck over ruim 45 jaren gelezen en overgeschreven te hebben, was ik bedacht aangaande dat oud boekje navorschingen te Lommel, alsmede in de omgeving en elders te doen. Zij bleven, als die over eene eeuw gedaan, tot heden vruchteloos.

      
Willem Cornelis Ackersdijck (1760-1843),
auteur van een "Korte   beschrijving van het dorp Loemel", in 1808.



De Schans en de Vest.
Naast elkander ligt de Schans en de Vest welke beide woorden verschansing of sterkte beduiden. Het zijn overblijfsels der vesting. De overlevering zegt, dat te dezer plaats in de veertiende eeuw de steenen voor de vesting hier uit de klei gebakken werden, en de vestingswerken begonnen zijn. Het ander gedeelte of de gracht met het daarbij gelegen gehucht van vier huizen heet de Vest. Sommige inwoners, noemen deze plaatsen samen de Schans, anderen de Vest.

[n.v.d.r. Hier past toch een woordje uitleg, waarvoor we gingen grasduinen op www.graafschaploon.be: De directe aanleiding voor de oprichting van de schansen dient gezocht te worden tijdens de 80-jarige oorlog (1568-1648). Op het einde van de 16de eeuw verblijven in onze regionen heel wat Spaanse en Nederlandse soldaten. Door de totaal ontwrichte financiële toestand van de staatskas van beide landen is het onmogelijk om de soldaten op regelmatige tijdstippen te beta­len. Dit betekent dat de huurlingen bijna steeds zonder geld zitten en zich als echte rovers gaan gedragen. Zonder leger is de plattelandsbevolking volkomen weerloos tegen deze uitgehongerde bendes. Door zelfbehoud gedreven, vraagt de burgerbevolking dan ook aan de Prins­bisschop de toestemming op een stuk "gemene grond" een eigen verdedigingswerk te mogen oprichten. Begrijpelijkerwijze wordt dit niet al te graag toegestaan omdat de bevolking zich ook tegen zijn heer en meester kan keren. Anderzijds is het ook moeilijk om een kei het vel af te stropen. Aangezien hij dus zelf niet kan zorgen voor de bescherming van de bevolking, verleent hij de toestemming om een schans op te richten op de gemeenschappelijke grond, waarbij hijzelf alle rechten behoud en ten allen tijde het bevel kan geven om de schans terug af te breken. 
Terwijl er in Haspengouw heel wat stenen winningen en versterkte burchten gebouwd werden om in te schuilen, was dat in het noorden nauwelijks mogelijk. Afgezien van de omwalde stadjes Bree, Peer en Hamont en enkele versterkte kerkjes konden de Kempenaars nergens terecht. Daarom liet de prins-bisschop hen toe schansen te bouwen. Die schansen lagen meestal in moeilijk toegankelijke waterrijke gebieden. Rond een stuk grond, soms een hectare groot, werd een gracht gegraven van 4à 5m breed. Met de opgedolven aarde werd een wal aangelegd (2à3m hoog) die met houtgewas werd beplant of met palen en vlechtwerk versterkt. 
De toegang werd afgesloten met een ophaalbrug en een poort, soms ook met een 'voorschans'. Bij de ophaalbrug stond het poorthuis waartegen een oven gebouwd was. Hierin woonde de portier of schansmeester die permanent toezicht had op de schans. Hij moest de eigendommen van de gemeenschap binnen de schans bewaken en daarbij in ’t oog houden wat er op of rond de schans gebeurde. Daarnaast bestond er een gemeenschappelijke waterput, een bakoven en voorzieningen voor een korte belegering zoals voedsel, veevoeder, hout, huisgerief… Binnen lagen een reeks schansplaatsen waarop de schansgezellen huisjes bouwden. Wie er wilde schuilen moest toegangsgeld en een jaarlijks schansgeld betalen."


Schans 't Hasselt, Overpelt, hier zijn de voorschans en de hoekbastions zichtbaar





Met gewijzigde spelling en verkort volgt hier uit een register op het Raadhuis den STAAT EN INVENTARIS gemaakt en opgesteld voor scheepenen en secretaris der vrijheid van Lommel, ter obediëntie (gehoorzaamheid) en voldoening van de resolutie van Hun Edel Mog.Hn.Raden van Staten der Vereenigde Ned., zynde den 25 April 1753 en dat van zoodanige charters en papieren, boeken, rekeningen en andere documenten, de gemeente betreffende en in hare komme of secretaris berustende, luidende verder als volgt:

Eerstelijk werd hier gebracht de OUDE PRIVILEGIEEN VAN DE OUDE HERTOGEN VAN BRABANT:
-Privilegie van Albert en Isabella. Clara Eugenia, etc... waarbij zij hebben geoctroierd en toegestemd, dat de vrijheid van Lommel zal worden gesterkt met graven en vesten, alsmede dat aan haar zal worden verleend het recht van drie vrye jaarmarkten te mogen houden.
-Sententie (Vonnis) gewezen door Filips, Hertog van Bourgondië etc... 3 Oct.1431 over zeker dispuut tusschen die van Lommel en Balen wegens het gebruiken van zekere vroente genaamd het Kijfveld.
-Sententie. Filips Hertog van Bourgondië, Brabant, etc., heeft 4 maart 1448 bij vonnis verklaard, dat die van Lummel vrij waren en uitgezonderd van lasten van den gruit van hare te brouwen bieren.
-Publicatie. Filips van Bourg. van Brabant, enz.., heeft 28 dec.1464, geordonneerd aan alle Regenten der Meierij van 's Bosch binnen zekere dagen hare privilegieën te leveren.
-Eene onleesbare sententie uitgesproken door Karel, Hertog van Bourgondië, 2 september 1472.
-Privilegie. Filips, Aartshertog van Oostenrijk enz ... heeft bij opene brieven bevolen, dat de schepenstoel binnen de vrijheid van Lommel jaarlijks worde veranderd, te weten: in't eerste jaar drie en in't tweede moeten 4 schepenen aangesteld worden. Gegeven in de stad Brussel, 1 februari 1502.
-Privilegie, Karel ... Roomsch Keizer etc., heeft 2 October 1544 aan de Regenten van Lommel verleend, octrooi om zestig bunderen erf uit hare vroente te mogen verkoopen en ten erve uitgeven tegen een gewin cijns van drie stuivers per bunder.
-Commissie. Filips ... Koning van Castillie, etc. heeft 2 Meert 1587, Mr. Peter Sgreven aangesteld tot secretaris binnen de vryheid van Lommel.
-Octrooi. 5 juni 1614. Regenten mogen tot laste van hare gemeente negotieeren zes duizend gulden tot aflossing van kapitalen staande tot hoogeren intrest.
-Sententie. Albert en Isabella hebben 24 December bij uitspraak de kwestie tusschen die van Lommel en Luiksgestel over het gebruik van hunner aard en vroenten.
-Octrooi. De Raad van Staten der Vereenigde‑Nederlanden hebben, 10 juli 1649, aan de Regenten van Lommel geconsenteerd en geoctrooiëerd om uit hunne vroente te mogen verkoopen 35 bunders, een loopensaad, 26 roeden en 5 roeden erf.
-Een zakje met kwitantiën wegens afgeloste cijnsen aan den Rentmeester Pieck van 1664, volgens resolutie van Hunedelm. Raden van Staten.
-Een doosje met oude Rentbrieven, gehoord hebbende tot beneficie van zekere kapel, voor dezen gestaan te Lommel op den Heuvel.
-Een busseltje (klein bundel) met oude rentebrieven van 1574 en nog van ouderen datum, gehoord hebbende tot beneficie van eenige altaren gestaan hebbende in de kerk te Lommel.
-Een register waarin eenige der hier vorenstaande privilegiën van de Hertogen van Brabant zijn geregistreed in 's Hage,15 juni 1660, geautenticeerd door den Notaris W.Rietraet.
-Eenige oude charters van de heide en vroente, gelegen tusschen Lommel, Luiksgestel, Bergeik, Westerhoven, Brakel, Schaft, Over‑ en Nederpelt.
-Een bundel rakende het different over den aard en vroente tusschen die van Lommel en Bergeik als afpaling van dien in den jare 1739.
-Een zak rakende het different in kwestie tusschen die van Lommel en Luiksgestel over de betalingen van dorpslasten van eenige beemden gelegen onder Lommel, toebehoorende aan ingezetenen van Luiksgestel.
-Een bussel van zeker dispuut tusschen die van Lommel en Pelt over haren aart en vroente bij sententie uitgewezen in den jare 1686.
-Eene copie uit de ordonnantie en eeuwig edikt van de Hertogen van Brabant van den jare 1611.
PROTOCOLLEN, folio 5‑7.
Een protocol beginnende met 10 februari 1548 en eindigende 2 maart 1564. Voorts volgen 19 registers het begin en einde van elk protocol aanduidende. Het in 1753 loopende was op dien inventaris tot 1754 met potlood bijgeschreven, wat ook voor 13 stuks tot het jaar 1808 geschiedde. Alzoo zijn er van 1548 tot 1808 een getal van 33 protocolregistens.
REGISTERS VAN ALLERHANDE AKTEN, fol. 8‑10.
Van deze soort zijn van 1651 tot 1808, samen 24 nummers, die van 1753 op den inventaris met potlood genoteerd. Onder deze zijn: 1e Testamenten, 1672‑78. 2e Kapitalen ten laste der gemeente, 1680‑94. 3e Beeëdigde schepenen, Burgemeesters, Collecteurs, enz. Armmeesters, enz.,1714‑53, 1724‑30. Revenuen van armen, vernieuwden met alle registers en protocollen bij den anderen gebracht in den jare 1734.
REGISTERS VAN KOOPCEDULE, fol.11.
1656‑58, 1658‑59, 1659‑71, 1671‑78, 1689‑95, 1696‑99, 1701‑12, 1712‑28, 1728‑53.
DINGROLLEN
1570‑77, 1594‑1600, 1601‑4, 1605‑8, 1608‑13, 1613‑18, 1618‑21, 1621‑27, 1627‑29, 1629‑30, 1630‑32, 1632‑38,1638‑44, 1644‑48, 26 Jan. 1649 tot 23 Nov. 49,1650‑51, 7 Maart tot 5 Sept.1651,1651‑52,1652‑53,1 Februari tot 7 Oct. 1653, 1653‑54, 23 Jan.‑28 sept.1655, 1655‑56, 1656‑57, 20 Febr: 10 Nov57, 1657‑58, 12 Maart‑3 September 1658, 1658‑59, 1659‑60, 1660‑68, 1668‑69, 1669‑70, 1670‑71, 1671‑74, 1674‑76, 1677‑78, 1678‑80, 1678‑80, 1680‑82, 1682‑85, 1685‑98, 1699‑1709, 1711‑31, 1731‑53,(potlood) 17571803,1803‑1808.
RESOLUTIEBOEKEN, fol.18.
Een register aanvangende in 1610.




REGISTERS WAARIN ZIJN GEREGISTREERD DE PLAKATEN, RESOLUTIEN ETC. VAN DE H. MOG. STATEN ALS ANDERSZINS, fol. lós0‑19.
Nr.I. 1720‑26. Nr.2 1726‑36. Nr.3, 1739‑47. Nr.4, 1749‑66. Een bussel plakaten 1649‑99. Id.resolutiën enz. 1700‑13. Id. van verscheidene oude ordonnantiën, zoo van Hun Hoogm. als anderszins 1655‑1716. Id. van resolutiën, lijsten van geleden schade van 1702 en 1705, etc. beginnende met 1673 en eindigende met 1713. Plakaten en resolutiën (potlood),17661781,1781‑92,1792‑94.
KOHIER‑ OF PANDBOEKEN, fol. 20.
Een kohier gemaakt in den jare 1596. Id. een in 1600. Een gemaakt voor de regenten zonder datum. Id. één gemaakt in 1657.
Id. één 1666. Id. 1750. Id. 1777. Id. 1792.
REGISTERS WEGENS TAXATIE VAN DE COLLATERALE SUCCESSIE, fol.21.
1658‑1667,1679‑84,1685‑1713,1714‑36,1736‑59,1759‑79,1779,1800.
REGISTERS WEGENS HET DOEN DER ARMREKENINGEN, fól. 22‑23 so.
Deze zijn ten getalle van 31 stuks van 1641 tot en met 1752.
DORPREKENINGEN VAN'I GEMEEN HUISHOUDEN, fol. 26‑34 so.
Hiervan bestaan 131 stuks. Van half Maart 1620 tot half Maart 1621 en alzo vervolgens.
REKENINGEN VAN DE RENTIERS, WEGENS DE BETALING VAN DE GEMEENTE‑INTERESTEN, fól. 38‑39 so.
Van half Maart als de vorige van 1641 tot en met 1713, zijn 82 stuks voorhanden.
REKENINGEN VAN DE VERPANDINGEN, f. 40.
De eerste luidt : Id een rekening gedaan en door Peter Adriaen Cleijs en Izaak Wachtelaars van den jare 1664 tot den jare 1668 incluis. ‑ De tweede of volgende: Id. een rekening gedaan door Izaak Wachtelaars van den jaren 1669 ‑ De verdere rekeningen tot en met 1723 deden vele anderen.

[n.v.d.r.  Die Isac Wachtelaers zal wel de zoon geweest zijn van Jacob Anthony Wachtelaers, secretaris van de Lommelse schepenbank omstreeks 1662. Zie immers: J. A. W. Swane, Wachtelaers, voorheen Quackelaers, De Brabantse Leeuw , jg. 15, 1966, p.91]

REKENINGEN VAN DE COLLECTEURS DER GEMEENS MIDDELEN ALS KONINGSBEEMDEN, f. 41.
Over elk jaar van 1709 tot 1723.
MOMBOIRDIJREIEIINGEN, f. 42‑47.
Deze zijn rekeningen en bussels van het jaar 1651 tot 1753.
PUBLICATIEN, f. 51.
Een bussel 1706‑1730 N2.1731‑1740. N3.1741‑53. Een id. van over 80 en meer jaren. Een id. met onleesbare boeken van den jare 1591 en daar omtrent.
LIASSEN VAN VERKOOP ALS HUISCEDULLEN, f. 52‑53 so.
Van't jaar 1618 tot 1753 bestaan 53 nummers of Liassen.
LIASSEN VAN TESTAMENTEN, fol. 56.
Vier stuks van 1727 tot 1753.
LIASSEN VAN VERSCHEIDENE SOORTEN VAN AKTEN, f. 57.
Zeven stuks van 1666 tot 1723. Liassen van Relazen, gegeven door de Vo[r]sters ...
ONTLASTBRIEVEN, f. 58.
5 stuks van 1667 tot 1753.
PAPIEREN VAN PROCESSEN, f. 59.66so.
Afzonderlijk met den beknopten inhoud van het jaar daarvoor. Het eerste s van 1627, het laatste van 1752.

Voor het slot van dezen Inventaris staat f 72 : Item een bussel dokumenten, geschreven door den Notaris Adriaan Van Vessem, beginnende met den jare 1696 en eindigende met den jare 1719, bij zijn vertrek ter secretarie overgeleverd.

Na 1753 tot heden werden menigmaal inventarissen van het gemeente‑archief opgemaakt. Uit dien van 1841 noteerde ik nog: paragr.1: Etat‑Civil (Burgerlijke Stand):
1 Doopregister, door de H.Pastoors gehouden 1676 tot 1703. 1704‑1713. 1724‑1758. 17591799.1800‑12. N 6 Register door de Predikanten van den geformeerden godsdienst gehouden, beginnende den 24 april 1785 en eindigende in 1808, op het tijdstip toen de gemeente Lommel bij het Fransche Keizerrijk ingelijfd is. 7 Een register van huwelijken, door Schout en Schepenen der gemeente gehouden van 1757‑1787. 8e 1787‑1808. 9e Twee registers van dood of begrafenis door den gemeente‑onderwijzer van 23 April 1781 tot 1808. 10e 33 registers van geboorten, huwelijken en overlijden van 23 October 1808 tot 1840.


Het Lommels gemeentehuis, gebouwd in 1845, zoals Panken het moet hebben gekend en bezocht.



Waar de dorps‑ of volksvergaderingen in den alouden tijd en vervolgens in de middeleeuwen gehouden zijn, is niet meer met zekerheid te melden. Het protestansch gemeentebestuur bezigde hiertoe de kapel in de dorpskom en bleef ze als zodanig gebruiken. Men sloopte in 1845 dit sterk gebouw en stichtte terzelfder plaatse een zeer doelmatig en naar de eischen des tijds ingericht raadhuis met den ingang ten noorden of dorpskom. Het oud klokje der afgebroken gewezen kapel is op het tegenwoordige raadhuis behouden, doch niet op den nok. Reeds in 1881 eischte dit modern gemeentehuis aanzienlijke herstellingen, welke er toen dan ook aan geschied zijn.

Tot gemeentewapen voert Lommel van lange tijden eenen eik met een schaap en eene geit, en heeft dit opschrift : Sigillum Scabinatus de Lommele, d.i. zegel van den Schepenstoel van Lommel. Van de menigte der schapen en wol is in hoofdstuk 11 gehandeld. Of de eik op een bepaalde voormaligen boom doelt is thans eene gissing.

lommel_1104_01.JPG - wapenschild van lommel

                                     
                           Op het oude raadhuis op het Dorpsplein, boven de inkomdeur.

donderdag 1 november 2012


DE "GESCHIEDENIS VAN LOMMEL" DOOR P.N. PANKEN (3)


II. BEVOLKING. HUIZEN. MIDDELEN VAN BESTAANS.

Tengevolge eener algemeene Bede (Bede was een zeer zware, onbillijke, niet gelijkmatig geheven wordende belasting, den inwoners der Meierij opgelegd) is in 1437 eene telling der haardsteden geschied. Er stonden hier 244 huizen waaronder 46 als arm gemeld. Men rekende voor de Meierij als zoodanig het vijfde deel af te slagen. Eene haardstede betaalde 10 St. In april 1526 zijn hier 254 huizen bevonden, waaronder niet begrepen is een huis door twee huislieden elk hunnen kost doende, en negen onbewoonde huizen. Het huizental bedroeg in 1736 ‑ 340, in 1766 ‑334, in 1771‑ 340, in 1806 ‑ 431, in 1815 ‑ 398, in 1840 ‑ 400.
  
Een schrijver in het laatst der 18e eeuw, meldt omtrent Lommel : Op de heide worden vele schapen geweid welker aanfokking een goed bestaan geeft aan veele der inwoners. De houders of bezitters der schapen dreven handel met de fokdieren, door ze op gezette tijden te verkopen, en andere aan te schaffen, de mest verbeterde hunne landerijen, terwijl de verkoop der wol jaarlijks eene aanzienlijke som opbracht of in het huisgezin zeer ter stade kwam. Laatstbedoelde schrijver getuigt alsmede dat, de linnenweverijen daar in grooten bloeistand verkeren. Thans worden er geen meer gevonden en is de schapenteelt sins eene halve eeuw aanmerkelijk verminderd.

Intussen een zeldzaamheid ! Grazende schapen op de Blekerheide. (Foto Leon Van Ham in Internetgazet van 7 aug. 2012)


Een groot deel der inwoners houdt zich met den koophandel bezig. Van ouds waren er eenige gezelschappen of compagnieën, welke met hunne koperen ketels op den rug in Denemarken, Holstein en Duitschland rondreisden, om ze te verkopen of met winst te ruilen. Ook in Frankrijk gingen tot in deze eeuw verscheidene manspersonen uit Lommel en omstreken sommige gewesten afloopen, om hunne ketels te verruilen of die der ingezetenen te vermaken (Bachiene, Vaderl. Geographie, Amsterdam, 1791). Andere personen dreven handel in menschenhaar voor de pruikenmakers. Zij sneden de haren van vrouwlieden, welke daarvoor gewoonlijk manufacturen in ruil ontvingen. Dit geschiedde in sommige Duitsche oorden, en verkochten ze elders. In de Beschrijving van Bergeik en in die van Luiksgestel beide in 1902 door P.N. Panken uitgegeven, vindt men veel van de Teuten, ook in de Patriote in 1903. Men vond steeds ook lieden die in manufacturen en andere goederen in Holland handelden. Een schrijver uit het begin dezer eeuw zegt, dat onder de inwoners vele pakdragers, ketellappers, beestensnijders enz. gevonden worden. (S. Van de Graaf, Beschrijving van het Koningrijk Holland, 1807 ).Alle dergelijke kooplieden worden Teuten genoemd Onder elkander spreken zij eene taal (jargon of brabbeltaal), die bijna niemand, als die tot hun genootschap behoort, verstaat (ik geef bijzonderheden der Teuten in mijne Beschrijving van Bergeik).



In 1793 was de handel door de Teuten vele eeuwen voordeelig uitgeoefend, zeer verstopt, waardoor de welvaart in het dorp eenen gevoeligen slag wedervoer. De oorlogsomstandigheden hadden aan die buitenlandsche koopmanschap eene groote belemmering ofwel een geheel beletsel toegebracht.
Schoon reeds door de mindere spaarzame levenswijze der Teuten hun aangebracht wordende voordeelen verminderden, zoo heeft men door den invloed der oorlogsomstandigheden op dat middel van bestaan een groot verlies geleden. Niet alleen verminderde de oorlog de voortzetting van hunnen handel, maar ook hunne schuldenaars daardoor groote schade of een geheel bederf ondergaan hebbende, konden hun en zij daardoor ook hunne schuldeischers niet betalen. Maar ook hebben die oorlogs‑ en andere bijkomende omstandigheden, de plaats beroofd van den drukken en gedurigen doortocht van zeer zwaar beladen karren, welke daar plagt plaats te hebben, die behalve de gestadige levendigheid mede vele voordeelen toebracht. Daarentegen hebben ook de tijdsomstandigheden en de plaatselijke gelegenheid aanleiding gegeven tot sterken sluikhandel, die er door allerlei listen en zelfs wel eens met geweld uitgeoefend is. Door den aanleg des steenwegs van's Bosch naar Luik hield van lieverlede de sterke doortocht der voerlieden op. Nog heden ten dage zijn eenige der menigvuldige diepe sporen in de heide zichtbaar, welke die zware, groote karrevrachten hadden doen ontstaan


Teuten zoals Pankenn ze misschien nog gekend heeft. Deze zijn van Sint-Huibrechtslille in 1905: zittend: Christiaan Winters, Jozef Bleukx en Piet Linders; staande Jozef Kerkhofs, Jan Klok, Jaak Klok, Gerard Bleukx en Jaak Ceelen ( Internetgazet Neerpelt 21 maart 2011)



Door de zeer uitgestrekte Lommelsche en door de Bergeiksche heide is Luiksgestel behalve aan eene smalle strook geheel ingesloten.
Tot behoef van den landbouw bestaat in de dorpskom eene boterfabriek of Melkerij, op eene zeer doelmatige wijze ingericht. Men vindt er tevens een op het gehucht Kattenbosch. Wegens al de genoemde bedrijvigheid door de Lommelaren in hunnen woonplaats en voornamelijk door een aanzienlijk aantal lieden die als teut en anderszins in vreemde landen handel gingen uitoefenen, was de landbouw hoofdzakelijk aan de vrouwen overgelaten.

Men beweert, dat in het algemeen de inwoners van Lommel een langer gestalte zouden bereiken als die der andere plaatsen van dezen omtrek, wat toch niet waar of niet in het oog lopend is. Wel is dit met de uitspraak hunner oude taal of hun dialekt, hetgeen aanmerkelijk van dat der overige plaatsen afwijkt. Uit aardigheid vermeld ik hier de volgende anecdote
Een Lommelaar die Teut in Duitschland was, keerde na ene gedane reis uit Lommel naar zijn handelstreek weder en zoude toen met een kameraad of compagnon o.a. het gesprek gevoerd hebben in een slepende teutentaal of zoogenaamd Bargoensch : Uw mos is moel. Vraag: Is mijn mos moel? En hoe gaat het met den Koppenhandel? Dat is schapenhandel. Mos is wijf, vrouw, moel beduidt dood, overleden.

Overleveringen, spokerijen (natuurlijk zonder spoken, want deze bestaan niet) worden te Lommel ook als elders vernomen. Men kan zulke verhalen zien in mijne Noordbrabantsche Sagen, overgedrukt uit Ons Volksleven, te Brecht, bij L. Braeckmans 1893, bij wien ook mijne Gebruiken, Gewoonten enz. gedrukt werden. Mijn handschrift over de Vogels in Kempenland, over de Gilden enz. is nog in portefeuille.

Naar luid van oude akten en andere bescheiden woonden weleer in de oostelijke Kempen, als Valkenswaard, Bergeik, Lommel, Arendonk enz. vele valkeniers die van daaruit in dienst der valkenjagt beminnende vorsten door schier de geheele wereld trokken tot aan Persie en Marokko. De Brabantsche valkeniers, meestal schoone, krachtige mannen wier bedrijf ridderlijk was, stonden ook daarom in hooge achting en sloten in den vreemde ‑Engeland, Denemarken­ niet zelden aanzienlijke huwelijken. Dat Brabant het land der valkeniers was, is niet te verwonderen. Reeds vroeg was daar eene talrijke vrije bevolking en zeer vele kleine boeren, terwijl ieder schildveertig man vrij door het geheele hertogdom mogt j agen en door middel van windhonden, fretten, valken, sperwers enz., allen uitgenomen in de vrije warande (Navorscher,1877, p.44 en 45).
In de heiden onder Lommel werden in vorige eeuwen ook vele wilde valken ter africhting gevangen en stonden er hierom verscheidene tobhutten, waarin de vangers, die men tobbers noemde, zich verscholen.





Lokduif en slechtvalk onder het slagnet

 Lokduif en slechtvalk onder het slagnet


Wolven. In veele tijden werden de wolven in de Brabantsche Kempen en andere plaatsen menigvuldig aangetroffen. Er stonden premiën op hunne verdelging en hield men algemene jachten om ze te verdrijven. De richting werd door den Schout aangegeven. Alleen mulders (molenaars) werden verschoond. Uit hunne molens moesten zij de wacht houden en den jagenden boeren spoor en richtingwijzen, werwaarts die roofdieren vluchtten. In Brabant en Vlaanderen was de kwelling door dit gedierte zo groot, zegt Hofdijk V, 319, dat in eenige dorpen ... [rest van de tekst ontbreekt].

[nvdr: we vonden het vervolg van de tekst van Panken in W.J. HOFDIJK, Ons voorgeslacht: in zijn dagelyksch leven geschilderd, 1863, dl. 5, p. 319-320. Hij luidt :
“dat in eenige dorpen de huizen der landluiden kuilen der wolven geworden zijn. Vee en beesten, paarden, koeien, kalveren, schapen hebben zy niet alleen vernield , maar in hunnen razenden honger hebben zy menschen, en byzonder vele kinderen gegeten. Het wild, als hazen en konijnen, joegen zy na — de dieven! — en vernielden al de waranden."]





De laatste wolven zijn in onze streken uitgeroeid bij grote wolvenklopjachten. ... Op 15 september 1804 werd op last van de schouten van Budel, Someren en Asten nog eens een wolvenklopjacht gehouden, waaraan honderden mannen uit dee streek deelnamen.


[n.v.d.r. onderstaande tekst komt niet voor in dit handschrift over de geschiedenis van Lommel, maar wel uit een bijdrage vann Panken in het tijdschrift Ons Volksleven in 1894. Aangezien Panken het in bovenstaand uittreksel uit zijn handschrift heeft over sagen enerzijds en Lommelse teuten anderzijds, vonden wij het gepast U hieronder zo'n sage als toetje te serveren]

Een Teut uit Bergeik in Duitschland vermoord

Ruim eene eeuw geleden, verbleef een zeker Teut, Ooms geheeten, in Duitschland. Toen hij 
eens met eenen zijner knechten om handelszaken op reis ging en in een groot bosch kwam, 
dat zij moesten doortrekken, schoot die knecht hem van achteren een kogeldoor het lichaam.Ooms stortte ter aarde, waarna de knecht hem nog zoo veel slagen toebracht, dat hij hem 
dood waande. Nu beroofde de moordenaar hem van al het geld dat hij bij zich droeg, en 
vluchtte met eene aanzienlijke som naar een afgelegen land.
Daar trok hij een klooster binnen, waar hij tegen betaling gedurende een jaar woonde. De 
zeer erg gewonde doch niet overleden Ooms werd kort na den moordaanslag door lieden 
gevonden, die door het bosch trokken en naar het eerste huis vervoerd, dat zij op den weg 
ontmoetten. Deze huizing was eene herberg, die de Teuten op hunne reis geregeld bezochten en waar zij goed bekend waren. Zulke pleisterplaatsen noemden zij dan ook « hunne « 
herbergen. Ooms werd hier zoo goed mogelijk verzorgd; men ontbood twee geneesheeren, 
die verklaarden dat zijne ingewanden zoo vreeselijk doorschoten en gekwetst waren, dat 
zijne dood nabij scheen. Hij ontving van eenen geestelijke de volle bediening en leefde nog zesof acht uren naden moordaanslag. Te Bergeik liet hij eene weduwe, éénen zoon en twee 
dochters na, waarvan nog afstammelingen . en veel verre bloedverwanten bestaan. Eene zijner dochters was, naar het volksverhaal, er met zekeren Peter van Otten gehuwd : de andere dochter zou twee keeren getrouwd geweest zijn. De moordenaar, later in Duitschland in de 
handen van het gerecht geraakt, ontging zijne welverdiende straf niet : aan eenen paal 
gebonden, werd hij levend verbrand. Ook van hem werden bloedverwanten in zijne geboorte-plaats aangetroffen, doch kieschheidshalve wilden de kinderen of kleinkinderen van den 
vermoorde aan hunne kinderen, veel minder aan anderen, zijnen naam bekend maken. Van den eenigon zoon van Ooms wordt mede eene zonderlinge geschiedenis verhaald. Deze, naar 
Frankrijk vertrokken, werd er, na een verblijf van eenige jaren maire of  meier zijner 
woonstad. Toen de Kozakken en andere vijandelijke soldaten aldaar wreedelijk huis hielden, verborg hij een deel zijner aanzienlijke schatten in een bosch, waarheen hij zich te dien einde, van eenen vriend vergezeld, had begeven. Deze vluchtte bij het naderen van eenen troep 
soldaten, doch de meier verdedigde zich ridderlijk met zijn wapen, toen zij hem aanvielen. 
Deerlijk door de Kozakken gewond, werd hij aan den steert van een peerd gebonden en in 
dien toestand stadwaarts gesleept; want zij meenden in hem eenen spion te zien. Als 
zoodanig werd hij zelfs ter dood veroordeeld. 
Toen de terechtstelling zou gebeuren, stond daarbij, zooals men denken kan, eene groote 
menigte volks, waaronder ook een paar Teuten uit Lommel, die in dat land handel dreven en den ter dood veroordeelden meier zeer goed kenden. Deze Teuten, van Ooms' onschuld overtuigd, en wellicht ook anderen, verzochten en verkregen uitstel van de uitvoering van het 
verschrikkelijke vonnis, zoodat de veroordeelde naar de gevangenis werd teruggebracht. 
Toen na onderzoek de beschuldiging valsch bleek, werd hij vrijgelaten. De wonden die de 
soldaten hem toegebracht hadden, waren toen, bij het vreugdevol wederkeeren tot zijne 
vrouw en kinderen, reeds eenigen tijd genezen. 
Van deze twee geschiedenissen zijn mij geene bewijzen bekend, waarom ik ze eenigszins 
romantisch beschouw en legendarisch behandelde. P. N. Panken. 


[N.v.d.r. : Misschien berust deze sage toch op historische feiten, zoals die te vinden zijn in
J. LIJTEN, Een Oirschotse Teut vermoord in Lotharingen, in: Campinia 18 (1988), p. 86-88en in J.Th.M. MELSSEN, Twee buitengaanders vermoord door een teut [te Lommel],  
Brabants Heem, 28 (1976), p. 130-133]



[merged small][graphic][ocr errors]

Prent over doodslag of "homicide" in: Practycke ende handbouck, door Joost De Damhouder, 1555