dinsdag 30 oktober 2012

De "Geschiedenis van Lommel" door P.N. PANKEN (1)


INLEIDING

Peter Norbert Panken, geboren te Duizel (NL) op 6 september 1819, werd in 1840 tot onderwijzer aangesteld te Westerhoven. In 1863 ‑ hij was dan nog maar 43 jaar ‑ nam hij ontslag en leidde vanaf toen een renteniersleven. In 1886 verhuisde hij naar Bergeijk, waar hij op 20 juli 1904 zou overlijden.

Panken interesseerde zich, zowat als eerste in zijn tijd, voor archeologische opgravingen in de Nederlandse Kempen. Daarnaast was hij echter ook 'bezeten' door het verwerven van gegevens m.b.t. de geschiedenis van die Kempische dorpen. Gedurende heel zijn lange leven trok hij (meestal te voet) de hele streek rond, vaak meer dan 40 km. per dag. Hij snuffelde ijverig in allerlei boeken en archieven en vulde duizenden pagina's met zijn bevindingen. Slechts een miniem deel van zijn pennevruchten werd gepubliceerd, en dit omdat hij er blijkbaar moeite mee had om zijn nota's tot een leesbaar geheel te verwerken.

Tijdens zijn lange tochten doet Panken ook meer dan eens Lommel aan. Als twintigjarige jongeling, op 16 september 1839, komt hij er voor het eerst. Later zal hij er verschillende kerkelijke feesten meemaken, zoals de eerste processie sinds het begin van de protestantse overheersing in 1648 (1841), de inwijding van de kerk van Lommel‑Kolonie (1852) en de Piusviering (1871). Hij is getuige van de uitvoering van grote werken, zoals de aanleg van het Maas‑Scheldekanaal (1843), van de nederzetting Lommel-Kolonie (1851) en van de nieuwe kerk van Lommel‑Centrum (1902).

Panken raakt na verloop van tijd met enkele Lommelaars bevriend. Vanaf 1870 is in zijn dagboek immers sprake van vrienden te Lommel, al is niet onmiddellijk duidelijk over wie hij het heeft. In de laatste jaren van zijn leven (1896‑1900) komt hij regelmatig over de vloer bij burgemeester Jan Senders, gemeenteontvanger Godfried Verkoyen en onderwijzer Ferdinand Theuwissen. Ook bij sommige Lommelse geestelijken komt hij op bezoek: in 1898 bij Daniël van Koot, pastoor te Lommel‑Kerkhoven, en in 1900 bij kapelaan Arthur Hollanders te Lommel‑Centrum. Eigenaardig is wel dat Panken blijkbaar geen kontakt had met Karel Gaethofs, kapelaan (1844‑1862), en later pastoor (1862‑1888) te Lommel‑Centrum, van wie bekend is dat hij interesse betoonde voor de Lommelse geschiedenis.

Op het einde van zijn leven komt Panken regelmatig op bedevaart naar de kerk van Lommel‑Kerkhoven om er de H. Amandus te aanroepen ter genezing van de pijn in zijn linkerschouder.


Net als over heel wat andere Kempische dorpen schreef Panken ook een 'Geschiedenis van Lommel’.
Het geheel van 141 blz. maakt niet steeds een even verzorgde indruk. De auteur plaatst heel wat aanvullingen in de marge van de tekst, valt in herhaling en spreekt zichzelf soms tegen.
Inhoudelijk leert de tekst niet veel nieuws. Panken stelt zich meestal tevreden met de herhaling van wat andere auteurs reeds voor hem schreven. Archiefonderzoek heeft hij praktisch niet verricht. De documenten die hij in 1870 en 1871 op het Lommelse gemeentearchief consulteerde beperken zich blijkbaar tot het protestants doopregister uit de jaren 1694‑1808 en een archiefinventaris uit 1753, die hij ijverig kopieerde zonder te merken dat de erin vermelde archivalia grotendeels verdwenen waren. Het rijke schepenbankarchief liet hij onbenut. De interessantere stukken uit Pankens handschrift betreffen hetgeen hij mondeling vernomen heeft van oude ingezetenen of hetgeen hij zelf gezien of meegemaakt heeft. Zo is de beschrijving van de vroegere kerk van Lommel‑Centrum (die hij op 27 aug. 1866 grondig bezocht) één van de uiterst zeldzame getuigenissen over dit in 1900 verdwenen gebouw.

Panken zelf dateert, in de 'voorrede' ervan, zijn handschrift op september 1902. In zijn dagboek noteert hij in 1900 echter dat hij deze tekst 'enkele jaren geleden' opstelde. We mogen dus aannemen dat hij het gros van de 'Geschiedenis van Lommer omstreeks 1897 schreef. Wel heeft hij minstens tot in 1903 nog enkele aanvullingen aangebracht (dat is o.a. te merken op p. ll en 91).

Panken die, zoals gezegd, een hele reeks dorpsmonografieën had geschreven, was er in 1902 in geslaagd deze van Bergeijk en van Luyksgestel te doen drukken en uitgeven. Deze plannen koesterde hij blijkbaar ook met het handschrift over Lommel, temeer daar er vanuit Lommel, nl. vanwege kapelaan A. Hollanders, omstreeks 1900 interesse was gerezen voor Pankens tekst. In 1903 ziet hij zijn kans schoon door als medestichter van het te Turnhout uitgegeven tijdschrift 'Taxandria' aan te treden. Op 17 april (nog voor de stichtingsvergadering van 23 juni) stuurde hij reeds zijn handschrift naar de drukker J. Splichal te Turnhout, uitgever van het weekblad 'De Kempenaar'. De wijze van uitgeven liet hij over aan het bestuur van 'Taxandria'. De redactie van dit tijdschrift, blijkbaar in verlegenheid gebracht door omvang en inhoud, vroeg Louis Stroobant om advies. 



Louis Stroobant (1862-1950), bestuurder van de landloperskolonie te Merksplas, amateur-archeoloog, eerste voorzitter van de in 1903 opgerichte Geschied- en Oudheidkundige Kring "Taxandria" te Turnhout.


Deze laatste nam het handschrift door (hetgeen links en rechts nog te merken is aan schrappingen in de tekst en aan verbetering van schrijffouten) en kwam op 14 juli 1903 tot het niet erg malse besluit 'L’ensemble est plutôt naïf...’. Uiteindelijk werd beslist, uittreksels uit de tekst in het tijdschrift op te nemen. In de eerste jaargang van 'Taxandria' (1904, p. 112‑118) verschenen zeven blz. "Historische Mengelingen over Lommel"; een schraal restant. Enkele maanden later overleed Panken. L. Stroobant schreef een mooie 'In memoriam' (Taxandria, jg. 2, 1905, p. 96‑97), doch het tijdschrift publiceerde geen enkel uittrekstel meer uit het handschrift over Lommel...

Tenslotte is de tekst dan terechtgekomen in de Wetenschappelijke Stadsbibliotheek te Turnhout, waar hij thans nog bewaard wordt. Een tijdje geleden werd weliswaar aan Erfgoed Lommel een kopie overhandigd.

Men is zelden sant in eigen land

Pater Jozef Boets, afkomstig uit Lommel-Kerkhoven, werd in juli van dit jaar 90 jaar, maar zijn gezondheid was toen al problematisch. Voorbije zaterdag, 27 oktober 2012, is hij overleden in een Antwerps ziekenhuis.
In Lommel relatief onbekend, was hij nochtans in Vlaanderen beroemd wegens zijn kennis over dichter Guido Gezelle. Meer in onderstaand bericht.


maandag 29 oktober 2012

Het langst burgemeester spelen - een ongebroken rekord !


Nee, het is niet degene waar U aan denkt, maar wel Willem Karel Koeckhofs, die van 1813 tot 1847 burgemeester van Lommel was, en hier dus 34 jaar lang aan het roer stond. Indien ons aller Peter dat rekord wil verbreken, moet hij tot na 2040 aanblijven...

Willem Karel Koeckhofs, een Burgemeester met haar op zijn tanden.

Willem Karel Koeckhofs, afkomstig uit Achel gaat (voorlopig) de geschiedenis in als degene die het langst burgemeester van Lommel was. Gedurende meer dan 33 jaar (1813-1847) hield hij de teugels van het gemeentebeleid strak in handen, en zijn briefwisseling en foto verraden een vastberaden en koppig iemand. Hij was geboren te Achel op 4 no­vember 1777 als zoon van Jan‑Michiel Koeckhofs (uitbater van de postkoetshalte) en Ma­ria Borghouts. In 1796 schreef hij zich als student filosofie in aan de Leuvense Universiteit. Of hij zijn studie voortzette na de sluiting van die universiteit door de Fransen in het volgende jaar, is niet geweten. Te Lom­mel werd hij voor het eerst ver­meld in 1802, en wel als zaakge­lastigde van de vooraanstaande Lommelse familie Teuwens. Kwade (?) tongen beweren dat hij zich in die periode verrijkte door de smokkel van kant. Of hij dan ook al effectief in Lommel woonde, is minder duidelijk. In ieder geval huwde Koeckhofs op 19 juli 1810 te Lommel met Bartha Cornelia Teuwens, een niet onbemiddelde handelaarsdochter, die sedert maart van dat jaar samen met haar zus eigenares was geworden van het rijkste huis aan het Lommelse Dorpsplein, dat van Jan De Jongh, de laatste dorpssekretaris uit het “Ancien Régime”.
Tekenend voor de ambities die Koeckhofs koesterde, was zijn weigering in november 1811 om het mandaat van "adjoint" (schepen) op te nemen. Twee jaar later (10 november 1813) volgde hetgeen waarop hij blijkbaar gewacht had: de aanstelling tot “maire” (burgemeester). Deze titel zou hij behouden, doorheen het Franse, Hollandse en Belgische regime, tot hij in 1847 ontslag nam.
Koeckhofs was koopman-winkelier aan het Dorpsplein. In 1832 werd hem nog een handelsreispas afgeleverd met de vermeldingen : "koopman, geboortig van Achel, wonend te Lommel, gaande naar de Belgische grenzen, 55 jaar oud, gestalte 1 el, 6 palmen, 6 duim (=1,66m), bruin haar, laag voorhoofd, bruine wenkbrauwen, grijze ogen, normale neus, mond gemiddeld, bruine baard, geen snor, bruine favoris (bakkebaarden), ronde kin, ovaal gezicht, gekleurde huidstint, gewone korpulentie, geen bijzondere kenteken”.
Vanaf 1832 tot aan zijn dood in 1863 moet hij beschouwd worden als een ware "bank van lening" : in 1832 alleen kwamen 9 Lommelse gezinnen bij hem in het krijt, de laatste leenakte dateert van 6 juni 1863, een 6-tal weken voor zijn overlijden. Tussen 1832 en 1863 waren er 94 Lommelse gezinnen die van hem geld ontleenden voor het niet onaardige totale bedrag van 77.827,28 fr. !
Een “pilarenbijter” was hij zeker niet. In de kerkrekeningen uit de jaren 1822-1828 staat hij wel vermeld als degene die altaarbrood, wijn enz. aan de kerk verkocht. Maar bij de pachters van kerkstoelen treft men hem -in tegenstelling tot bvb. notaris Van Breugel, geneesheer Bovy en de weduwe Aerts- niet aan, en in de jaren 1836-1837 kwam hij zwaar in aanvaring met bisschop Den Dubbelden in ‘s-Hertogenbosch (over de aanstelling van een nieuwe pastoor in Lommel)  en met kapelaan Van Kollenburg in Lommel (over diens aantijgingen omtrent Koeckhofs’ levenswandel).
In zijn vrije tijd proefde Koeckhofs de geneugten van de jacht, en met het oog op deze sport pachtte hij in 1812-1813 een gedeelte van de gemeentelijke gronden.
Koeckhofs overleed als kinderloze weduwnaar "na eene langdurige ziekte" te Lommel op 19 juli 1863, op 85-jarige leeftijd.

Afbraakwerken op hoek Lepelstraat/Dorpsplein


Je kan er niet langskijken. Een belangrijk deel van de "wand" van ons dorpsplein wordt dezer dagen gesloopt.

Ik vond een prentkaart uit "betere" tijden, en kan er niet aan weerstaan om er U mee te confronteren...

Let ook op de ondertekenaar Vander Cruyssen. Hij was de uitbater van een dakpannenfabriek die omstreeks 1860 was opgericht in de Mortels. Aan de noordelijke zijde van het kanaal kan je trouwens de resten van de laadkade van dit bedrijf terugvinden. Samen met ene heer Rypens kocht hij ingevolge akte verleden voor de Lommelse notaris Alen op 18 juni 1859 liefst 70 ha grond. De putten waar de klei uitgehaald werd zijn nu de .....Vossemeren !
Rypens en Vander Cruyssen moeten echter al vrij vroeg onderlinge ruzie gekregen hebben, die beslecht werd door het Hof van Beroep te Brussel op 24 mei 1862;  zie hierover onderstaande link:
http://books.google.be/books?id=GtkLAAAAYAAJ&pg=PA128&dq=lommel+%2B+reypens&hl=nl&sa=X&ei=bYqRUPRGgZbRBfqCgcAI&sqi=2&ved=0CCwQ6AEwAA#v=onepage&q=lommel%20%2B%20reypens&f=false

Foto's van die dakpannenfabriek heb ik nooit gezien, maar bij Erfgoed Lommel (Barrier) kan men ze wel zien op oude stafkaarten.



Wie was "Meester" Panken ?

Petrus-Norbertus Panken leefde in de 19de eeuw en schreef omstreeks 1900 een minder bekende "Geschiedenis van Lommel" die we U in de komende dagen in schijfjes zullen proberen aan te leveren.

Niet dat er zoveel nieuws uit te halen valt, maar omdat ze nooit echt in drukvorm werd uitgegeven.

Maar vandaag alleen een biografie van de man, die we "pikten" uit de site thuisinbrabant.nl:

Meester Panken (1819-1904)

chroniqueur van het Kempenland
Peter Norbertus Panken werd op 10 september 1819 te Duizel geboren. Zijn vader J.B. Panken, schoolmeester en belastinggaarder, overleed in 1823. Zijn moeder Antonia Willems hertrouwde in 1825 met A.Fleerakkers. Panken bleef ongehuwd. Hij overleed te Bergeijk op 20 juli 1904.
Na zijn jeugd te hebben doorgebracht in Bergeijk, waarheen het gezin na het hertrouwen van zijn moeder was verhuisd, kwam Panken in april 1833 op de kostschool van zijn oom Theodorus Ignatius Panken in Duizel terecht. Hier kreeg hij als stagiair zijn opleiding tot onderwijzer. Hij zou het niet verder brengen dan de lage kwalificatie van de derde rang. Na zijn kostschooljaren bij zijn familie in Duizel vestigde hij zich in september 1840 als jonge volwassene in Westerhoven. Hij zou daar 46 jaar lang, meestal als kostganger, op vele adressen verblijven. Slechts van 1855 tot 1863 woonde hij zelfstandig in de voor hem gebouwde onderwijzerswoning.
In Westerhoven was hij in 1840 de eerste katholieke onderwijzer na de reformatie. In juli 1842 kreeg hij er zijn definitieve aanstelling. In de eerste jaren van zijn carrière wist hij een sterke toename van het aantal leerlingen te bewerkstelligen. Zelfs startte hij een avondschool voor belangstellenden. Later daalde het leerlingental echter weer: in plaats van het maximum van 103 jongens en meisjes in 1841 bezochten er in 1860 gemiddeld nog 57 de school. Het prestige van de eigenzinnige schoolmeester daalde daarom snel bij zijn dorpsgenoten.
Na enkele jaren kwamen er ook problemen met het lokale bestuur. Het eerste conflict betrof de bouw van de onderwijzerswoning. Hoewel hiervoor al jaren eerder door de provincie subsidie was verstrekt, duurde het toch tot 1853 voordat de oplevering plaats vond. Na de voltooiing werd het huis door Panken nog twee jaar onbewoond gelaten. Rond 1860 was er zelfs sprake van een ware probleemsituatie. De meester ergerde zich aan het gebrek aan waardering en uitte dit door klachten over zijn salariëring. Het gemeentebestuur verweet hem een geringe plichtsbetrachting en onbekwaamheid. Panken bleek niet meer opgewassen tegen de situatie en werd door de inspecteur onder druk gezet om ontslag te nemen. De bevriende arts Raupp leverde hem zelfs een attest dat hij medisch ongeschikt was. Tenslotte stemde Panken eind 1862 in met een wel zeer vroegtijdige pensionering en nam genoegen met een ruime materiële compensatie. Ook na die tijd bleef hij in Westerhoven, met niet meer om handen dan de baantjes van postkantoorhouder en verzekeringsagent. Zo had hij alle tijd voor zijn liefhebberijen: de bestudering van de dorpsgeschiedenissen van het Kempenland en de verslaglegging van zijn eigen ervaringen in zijn woonplaats en van de wederwaardigheden op de vele reizen die hij gewoon was te ondernemen.
Panken was één van de eerste leden van het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen die afkomstig was uit een ver van Den Bosch gelegen dorp. Tot dit illustere gezelschap was hij, ongevraagd, toegelaten op initiatief van C.R. Hermans. Deze bleef jarenlang zijn intellectuele mentor: hij stimuleerde Panken tot het verrichten van archeologisch veldwerk en archiefonderzoek en het beschrijven van volkskundige thema's. Hermans nam zelfs enkele, door hemzelf bewerkte, artikelen van Panken op in zijn boeken uit 1845 en 1865.



C.R. Hermans


Na het overlijden van Hermans in 1869 verloor Panken het voor hem noodzakelijke contact met de wetenschappelijke wereld van zijn tijd. Het onderzoek ging echter wel door. Maar doordat een ordenende hand ontbrak, verzandde het werk in een enorme hoeveelheid manuscripten zonder dat daar een publikatie uit voortkwam.
Geleidelijk raakte Panken ingekapseld in het nieuwe netwerk van clericale geschiedschrijvers en leverde informatie aan kerkhistorici als Schutjes en Welvaarts. Deze laatste zorgde ervoor dat aan het eind van de negentiende eeuw enkele artikelen gepubliceerd werden. Tenslotte werd ook zijn hoofdwerk Beschrijving van Bergeik gepubliceerd, zij het in een door A.F.O. van Sasse van Ysselt geredigeerde eindversie, die sterk afweek van de tekst van Pankens oorspronkelijke manuscript.



A.F.O. van Sasse van Ysselt


Naast deze wetenschappelijke inspanningen hield hij zich voortdurend bezig met het maken van aantekeningen over uiteenlopende onderwerpen. Bovendien noteerde hij de gebeurtenissen in zijn omgeving en beschreef hij zijn reizen, eerst naar steden in Holland en België, later ook naar het verre buitenland, zoals Rome, Parijs en Lourdes. Steeds bleef hij onverdroten werken aan wat hij noemde 'mijn autobiographie'. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in een collectie egodocumenten, bestaande uit het originele 'levensberigt' van 2534 bladzijden in 25 cahiers en een bewerkte, in zijn ogen 'gefatsoeneerde' versie van zijn levensverhaal dat hij heeft aangeduid als 'mijne 2de of vernieuwde boek der autobiografie' van 1519 geschreven bladzijden.
De betekenis van P.N. Panken is in verschillende opzichten te schetsen. Zo moet hij gezien worden als een figuur die in zijn leefomgeving de nieuwe levenshouding van het emanciperende katholieke volksdeel vertegenwoordigde. Hij was een culturele bemiddelaar die de veelal door clerici en intellectuelen in abstracte termen geformuleerde directieven ten aanzien van denken en doen in zijn opinies en gedrag tot uitdrukking bracht. Voor de wijdere omgeving is hij tegelijk de trouwe supporter geworden van de Brabantse katholieke zaak die als leek het katholieke netwerk mede schraagde. Daarbij koos hij voor het isolement in een afgelegen vlek en liet na mede vorm te geven aan de stilering van het publieke leven doordat hij zijn beroep van onderwijzer niet naar behoren uitoefende.
Voor latere generaties is hij toch in bepaalde opzichten een voorloper. Als archeoloog conserveerde hij vondsten en documenteerde hij vindplaatsen. Als volkskundige legde hij de orale traditie van het volksverhaal vast. Als lokaal historicus vroeg hij aandacht voor de waarde van archiefbescheiden en leverde als één der eersten historische dorpsbeschrijvingen. Tenslotte heeft hij als boekhouder van zijn eigen geschiedenis in zijn dagboeken de mentale wereld van de Kempenlander onthuld.

Bronnen

• C.R. Hermans, Bijdragen tot de geschiedenis (...) der provincie Noord-Brabant, 's-Hertogenbosch 1845
• C.R. Hermans, Noordbrabants Oudheden, 's-Hertogenbosch 1865
• H. Mandos, Meester Petrus Norbertus Panken 1819-1904, in: H. Mandos en A.D. Kakebeeke, De acht zaligheden, de oude kern van de Kempen, Eindhoven 1975, 7-113
• P.N. Panken, Dagboeken, ms.
• P.N. Panken, Geschiedenis van Bergeik, ms.
• P.N. Panken en A.F.O. van Sasse van Ysselt, Beschrijving van Bergeik, 's-Hertogenbosch 1902
• Streekarchief Eindhoven-Kempenland, archief Westerhoven, inv.nr. 1211, 1216, 1217, 1218
• Tijdschrift voor Noordbrabantsche geschiedenis, taal- en letterkunde, I, II, III, 1884, 1885, 1886

Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 1 (Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening,
Amsterdam/Meppel 1992).

zondag 28 oktober 2012

Gaat Vossemeren Ford Genk achterna ?

Je kan de laatste tijd niet op het internet surfen zonder constant geconfronteerd te worden met:

  1. De Vossemeren | centerparcs.be

    www.centerparcs.be/
    Forse kortingen op de last minutes en voor vroegboekers! Boek online.
    Van mensen die het kunnen weten vernemen we dat het park thans op volle capaciteit zou moeten draaien wegens vakantie in Nederland, maar dat in werkelijkheid slechts 1/5 van de bezetting bereikt wordt.
    Hopelijk komt de tewerkstelling in het park niet in gevaar ....



vrijdag 26 oktober 2012

Wie is potverdikke de 4de musketier, oftewel de fotograaf ??


Nogmaals uit Internetgazet:

De "drie musketiers" van de Internetgazet Lommel waren enkele dagen met vakantie op Sicilië.Daar is veel meer te zien dan de Etna en het strand, meldt Jacky Geboers. De landschappen rond Enna en Ragusa zijn betoverend mooi in het zachte najaarslicht. Op de foto vlnr Pierre Vandenberk, Robert Boons en Jacky Geboers.

De drie musketiers - Lommel

Je moet ze mij niet leren kennen, deze drie pappenheimers, want ik ken ze als mijn broekzak, en de meeste van lange datum. Stuk voor stuk sympatieke en degelijke Kempische boys.
Maar wie zou de foto getrokken hebben, of m.a.w. wie is de "vierde" musketier?
Alleszins ik niet, want -zoals insiders weten- ik zou ze meegetroond hebben naar Corsica ipv Sicilië.

Hoe het ook zij, ze schijnen het er naar hun zin te hebben, en het is hun gegund !